De Rijn [1]
Aan Isaac von Sinclair [2]
De wet van deze zang is, dat de eerste twee delen van ieder drie strofen naar de vorm door progressie en regressie tegengesteld, maar naar de stof gelijk zijn; de twee volgende zijn naar de vorm gelijk, naar de stof tegengesteld. Het laatste deel brengt met een doorlopende metafoor alles in evenwicht. [3]
[1] Bij de donkere klimop zat ik, [4] aan de poort
van het woud, juist toen de gouden middag
de bron bezoekend, afdaalde
van de trappen van het Alpengebergte, [5]
dat mij de de goddelijk gebouwde,
de burcht der hemelingen heet
naar aloude mening, waar evenwel
in het geheim nog veel dat besloten werd
tot de mensen komt; van daar
vernam ik onvermoed
een Noodlot, [6] want nauwelijks had
mijn ziel in de warme schaduw
tot zich gesproken, of zij was al
naar Italië uitgeweken
en Morea’s verre kusten. [7]
[2] Nu echter, in het gebergte,
diep onder de zilveren toppen
en onder vrolijk groen
waar de bossen huiverend naar hem op
en de hoofden van de rotsen over elkaar
naar beneden zien, de hele dag, daar
in de koudste afgrond hoorde
ik om verlossing jammeren
de jongeling, hem hoorden tekeer gaan
en moeder Aarde aanklagen
en de Donderaar, die hem verwekt had,
met erbarmen de ouders, maar
de stervelingen ontvluchtten de plaats,
want vreselijk was, toen hij in het donker
in ketenen zich omwoelde,
het geraas van de halfgod. [8]
[3] Het was de stem van de edelste der rivieren,
van de vrijgeboren Rijn,
en iets anders hoopte die, toen boven van de broers,
de Ticino en de Rhône
hij afscheid nam en zwerven wilde, en ongeduldig hem
naar Azië dreef zijn koninklijke ziel. [9]
Maar onverstandig is
het wensen voor het Noodlot.
De blindsten echter
zijn godenzonen. Want de mens kent
zijn huis en het dier werd, waar
het moet bouwen, maar hun is
de misstap, dat zij niet weten waarhéén
in de onervaren ziel gegeven. –
[4] Een raadsel is wat rein ontsprong. Ook
de zang mag het nauwelijks onthullen. Want
zoals je begon, zul je blijven,
hoeveel ook werkt de nood
en de tucht, het meeste namelijk
vermag de geboorte
en de lichtstraal, die
de pasgeborene ontmoet. [10]
Maar waar is er één
om vrij te blijven
zijn leven lang, en de hartewens
alleen te vervullen, zó
uit gunstige hoogten, als de Rijn,
en zó uit heilige schoot
gelukkig geboren, als deze?
[5] Daarom is een juichen zijn woord.
Niet houdt hij, als andere kinderen,
ervan in luiers te wenen; [11]
want zodra de oevers
hem ter zijde sluipen, de krommen,
en dorstig omwindend hem,
de onbedachte, begeren
te trekken en wel te behoeden
in eigen tanden, verscheurt hij
lachend de slangen en snelt
weg met de buit en als inderhaast
een Grotere hem niet temt
en groeien laat, als de bliksem, moet hij
de aarde splijten, en als betoverd vluchten
de bossen hem achterna en ineenzinkend de bergen.
[6] Een god wil echter besparen de zoon
het haastige leven en glimlacht
wanneer onbedaarlijk, maar gestuit
door heilige Alpen, op hem
in de diepte, als gene, toornen de rivieren. [12]
In zo’n haard wordt dan
ook al het loutere gesmeed,
en mooi is het, hoe hij daarop,
nadat hij de berg verlaten heeft
zich stil stromend in het Duitse land
tevreden stelt en het verlangen stilt
door goede werken, wanneer hij, vader Rijn,
het land bebouwt en lieve kinderen voedt
in steden, die hij gesticht heeft. –
[7] Maar nooit, nooit vergeet hij het.
Want eerder zal de woning vergaan
en de wet en tot drogbeeld worden
de dag van de mensen, vóór vergeten
zou zulk een de oorsprong
en de zuivere stem van de jeugd.
Wie was het, die als eerste
de liefdesbanden verbroken
en strikken van hen heeft gemaakt? [13]
Toen hebben van het eigen recht
en het hemelse vuur zeker
gespot de koppigen, toen eerst
de sterfelijke paden verachtend
iets vermetels gekozen
en getracht de goden gelijk te worden. [14]
[8] Maar aan hun eigen
onsterfelijkheid hebben de goden genoeg,
en behoeven de hemelingen één ding,
dan zijn het helden en mensen
en wel sterfelijke. Want omdat
de zaligsten niets voelen uit zichzelf
moet wel, als dit te zeggen
is toegestaan, in naam van de goden
deelnemend voelen een ander, [15]
díe hebben ze nodig; maar hun gericht
is, dat hij zijn eigen huis
verwoest en de liefste
als vijand versmaadt en vader en kind
begraven worden onder de puinhopen
als één zoals hen wil zijn en geen
ongelijkheid dulden, de dweper. [16]
[9] Daarom wel hem, die vond
een welbescheiden lot
waar nog aan zwerftochten
en zoet aan het leed de herinnering
ruist aan de zekere kust, [17]
dat daar en derwaarts graag
hij zien mag tot aan de grenzen
die God hem bij de geboorte
tot verblijfplaats heeft gewezen.
Dan rust hij, zalig bescheiden,
want alles, wat hij wilde,
het hemelse, vanzelf omvat
het onbedwongen, glimlachend
nu, daar hij rust, de moedige. –
[10] Halfgoden denk ik nu
en kennen moet ik de dierbaren
omdat vaak hun leven zó
mij de verlangende borst beweegt.
Wie echter, als jou, Rousseau,[18]
onoverwinnelijk de ziel,
de alverdurende werd
om zekere zin
en zoete gave te horen,
te spreken zó, dat uit heilige volheid
als de wijngod, dwaas goddelijk
en wetteloos zij de taal der reinsten weergeeft, [19]
begrijpelijk voor de goeden, maar met recht
de achtelozen met blindheid slaat,
de ontwijdende knechten, hoe noem ik de vreemdeling?
[11] De zonen van de aarde zijn, als de moeder,
alminnend, zo ontvangen zij ook
moeiteloos, de gelukkigen, alles. [20]
Daarom verrast het ook
en verschrikt het de sterfelijke man,
als hij de hemel, die
hij met minnende armen
op de schouders heeft genomen
en de last van de vreugde bedenkt; [21]
dan lijkt hem vaak het beste
bijna helemaal vergeten daar,
waar de straal niet brandt,
in de schaduw van het bos
aan het Meer van Biel in het frisse groen te zijn
en zorgeloos en arm aan tonen,
zoals beginners, bij nachtegalen te leren. [22]
[12] En heerlijk is het, uit heilige slaap dan
op te staan en door de koelte van het bos
ontwakend, ’s avonds nu
het mildere licht tegemoet te gaan,
wanneer, Die de bergen gebouwd
en het pad der rivieren gewezen,
nadat Hij glimlachend ook
het bedrijvige leven van de mensen
dat arm aan adem is, als zeilen,
met zijn luchten geleid heeft,
ook rust en tot de leerlinge nu
de Schepper, goed meer
dan kwaad vindend,
tot de huidige aarde de dag zich neigt. – [23]
[13] Dan vieren mensen en goden de bruiloft, [24]
alle levenden vieren feest
en in evenwicht
is een tijdlang het Noodlot.
En de vluchtelingen zoeken de herberg
en zoete sluimer de dapperen,
de minnenden echter
zijn, zoals zij waren, zij zijn
thuis, waar de bloem zich verheugt
in onschadelijke gloed en de geest
om de duistere bomen ruist, maar de onverzoenden
zijn veranderd en haasten zich
elkaar de handen te reiken
vóór het vriendelijke licht
ondergaat en de nacht komt.
[14] Maar sommigen ijlt
dit snel voorbij, anderen
behouden het langer.
De eeuwige goden zijn
altijd vol leven, tot in de dood
kan echter ook een mens
het beste in herinnering houden
en dan beleeft hij het hoogste.
Slechts heeft eenieder zijn maat.
Want zwaar te dragen is
het ongeluk, maar zwaarder het geluk.
Een wijze echter vermocht
van de middag tot middernacht
en tot de morgen glansde
bij het gastmaal wakker te blijven. [25]
[15] Moge jou op een warm pad onder dennen of
in het donker van het eikenwoud, gehuld
in staal, mijn Sinclair, [26] God verschijnen of
in wolken, jij kent Hem, daar jij jeugdig kent
de kracht van het Goede, en nooit is jou
verborgen het glimlachen van de Heerser
bij dag, wanneer
koortsachtig en geketend het
levende schijnt of ook
bij nacht, wanneer alles vermengd
en ordeloos is en wederkeert
oeroude verwarring. [27]
[1] Rivieren zijn bij Hölderlin een metafoor voor de loop van de geschiedenis, maar ook voor het stromen van het dichterlijke woord. De Griekse dichter Pindarus (c. 522 – 443 v. Chr.) was voor Hölderlin een voorbeeld. De triadische opbouw van dit gedicht is aan hem ontleend.
[2] Isaac von Sinclair (1775 – 1815) was een Duitse diplomaat en schrijver. Hij leerde Hölderlin kennen toen hij rechten studeerde in Jena, vermoedelijk bij de colleges filosofie die Johann Gottlieb Fichte (1762 – 1814) er gaf.
[3] Het gedicht bestaat uit vijf delen van ieder drie strofen. De eerste twee delen gaan over de Rijn, die in de Alpen ontspringt (1-3) en door een god wordt gedwongen westwaarts te stromen (4-6). Het derde deel gaat over de verhouding tussen goden en mensen (7-9); het vierde over halfgoden en de taak van de moderne dichter (10-12). Het vijfde deel beschrijft de terugkeer van de goden naar de aarde (13-15).
[4] De klimop is gewijd aan de god Dionysus en een symbool voor dichterlijke inspiratie.
[5] De Rijn ontpsringt in Graubünden in de Zwitserse Alpen.
[6] Het Noodlot dat de dichter verneemt is de noodzakelijke gang van de geschiedenis, die in dit gedicht wordt gesymboliseerd door de loop van de Rijn.
[7] Morea is de middeleeuwse naam voor de Peloponessos. De naam is afgeleid van het Griekse μορέα moerbeiboom. De Byzantijnse keizers smokkelden in de zesde eeuw de zijderups uit China en introduceerde haar op de Peloponessos, waar een bloeiende zijdeindustrie ontstond.
[8] De Rijn is een zoon van de god Zeus en moeder Aarde en daarom een halfgod.
[9] De Ticino en de Rhône ontspringen eveneens in de Zwitserse Alpen. De bovenloop van de Rijn stroomt echter eerst naar het oosten en vervolgens naar het noorden.
[10] Cf. Pindarus, Olympische Ode 9.100: τὸ δὲ φυᾷ κράτιστον ἅπαν De natuurlijke aanleg is altijd het krachtigst.
[11] Een verwijzing naar Hercules. De mythe vertelt dat hij als baby in de wieg twee slangen verscheurde, die door de jaloerse Hera waren gezonden om hem te doden.
[12] De Rijn stroomt in het Bodenmeer aan de noordelijke voet van de Alpen en verlaat het meer aan de westkant.
[13] De liefdesbanden zijn een metafoor voor de band tussen goden en mensen, die door de mens verbroken wordt omdat hij aan de goden gelijk wil worden.
[14] De titaan Prometheus stal het vuur van de goden en gaf het aan de mensen. Zeus strafte hem door hem aan de Kaukasus te ketenen. De adelaar Ethon kwam elke dag om zijn lever op te eten, maar ‘s nachts groeide deze weer aan.
[15] De goden voelen niet omdat gevoel een verandering van toestand is, wat onmogelijk is bij volmaakte en onsterfelijke wezens. Daarom hebben de goden de sterfelijke mensen nodig, die deelnemen aan het goddelijke door hun voelen en handelen in de geschiedenis.
[16] Hercules trouwde in Thebe met Megara, de dochter van koning Creon. De godin Hera trof hem echter met waanzin, zodat hij zijn huis verwoestte en zijn drie zonen doodde. Nadat hij van zijn waanzin genezen was vluchtte Hercules naar Delphi. Het orakel droeg hem op naar Mycene te reizen en als boetedoening twaalf jaar lang koning Eurystheus te dienen.
[17] Een verwijzing naar Odysseus, die na een zwerftocht van tien jaar thuiskwam op het eiland Ithaka.
[18] Jean-Jacques Rousseau (1712 – 1778) was voor Hölderlin het voorbeeld van de moderne dichter, die een vreemdeling is in zijn eigen tijd. Hij wordt niet begrepen door zijn tijdgenoten, maar brengt wel de taal de goden over.
[19] De dichter spreekt door de overvloed van het goddelijke als in een roes en is daarom verwant aan de god Dionysus.
[20] De titanen zijn de kinderen van moeder aarde (Gaea) en vader hemel (Uranus). Uranus verborg zijn kinderen diep in de aarde, omdat hij vreesde dat ze hem zijn heerschappij zouden ontnemen. Gaea vroeg haar jongste zoon Cronus om hulp. Zij gaf hem een stalen sikkel, waarmee hij in een hinderlaag ging liggen en Uranus ontmande toen hij ‘s nachts naar Gaea kwam. Cronus werd de nieuwe heerser over de titanen, maar zou op zijn beurt van de troon worden gestoten door zijn jongste zoon Zeus.
[21] Atlas is één van de vier zonen van de titaan Iapetus en de oceanïde Clymene. In de oorlog tussen de olympische goden en de titanen koos Atlas de kant van de laatsten. Zeus strafte hem door hem op de westelijke rand van de aarde – bij het Atlasgebergte – het hemelgewelf te laten dragen.
[22] In 1762 werd Rousseau door de Franse regering veroordeeld wegens de publicatie van Emile en Du contrat social. Hij vluchtte naar Zwitserland en leidde enkele jaren een teruggetrokken bestaan op het St. Peterseiland in het Meer van Biel. Voor Hölderlin wordt zijn verblijf daar een metafoor voor het leven de moderne dichter. Die bevindt zich in de schaduw omdat hij geen onmiddellijke ervaring van het goddelijke meer kent.
[23] In het laatste deel van het gedicht beschrijft Hölderlin de terugkeer van de goden naar de aarde. Een belangrijke metafoor in dit gedeelte is de afwisseling van dag en nacht.
[24] De bruiloft staat voor de vervulling van de geschiedenis, die slechts korte tijd duurt.
[25] In het Symposium vertelt Plato hoe Socrates en zijn vrienden tijdens een gastmaal beurtelings een lofrede houden op Eros. Aan het einde van het gesprek vallen de meeste aanwezigen in slaap. Socrates blijft echter tot de dageraad wakker om te filosoferen (223c-d).
[26] Isaac von Sinclair was een voorstander van de Franse Revolutie en vond dat ook in Duitsland een revolutie moest plaatsvinden. Op latere leeftijd werd hij conservatiever en zette hij zich in voor het herstel van het Duitse Rijk.
[27] In De Staatsman vertelt Plato een mythe over het verloop van de geschiedenis. Toen Cronus heerste draaide het heelal in tegengestelde richting. Het gevolg was dat alle levende wezens een omgekeerd groeiproces doormaakten. Ouderen ontstonden uit de aarde en werden tijdens hun leven steeds jonger. De aarde bracht uit zichzelf vruchten voort, zodat landbouw niet nodig was. De goden zorgden als herders voor de mensen en de dieren. In het volgende tijdperk werd het heelal aan zichzelf overgelaten en begon de andere kant op te draaien. Ook de mensen moesten voor zichzelf gaan zorgen en vonden daartoe het vuur, de landbouw en andere technieken uit. Zonder goddelijk bestuur keert de wereld echter langzaam terug naar een oorspronkelijke toestand van chaos: ‘Wanneer ze echter van hem gescheiden geraakt, blijft ze, in de allereerste tijd na de scheiding, alles in perfectie volbrengen. Met het vorderen van de tijd, echter, en met het ontstaan van de vergetelheid in haar, krijgt ook de toestand van de oorspronkelijke disharmonie meer en meer de bovenhand.’ (273c).