Brood en Wijn

Inleiding

Hölderlin schreef het gedicht Brot und Wein rond 1800 in zijn geboorteplaats Nürtingen. Hij droeg het op aan de schrijver Wilhelm Heinse (1746-1803). Heinse was een wat oudere schrijver en kunstcriticus, die beroemd was geworden door zijn utopische roman Ardinghello und die glückseligen Inseln (1787). In deze roman ontvlucht een jonge kunstenaar het vorstelijk absolutisme en de kerkelijke macht van het achttiende-eeuwse Europa en sticht met zijn geestverwanten een leefgemeenschap op een eilandengroep in de Middellandse Zee. Deze maatschappij belichaamt de idealen uit het oude Griekenland zoals men deze in de achttiende eeuw verstond: de harmonie van natuur en kunst, de eenheid van lichaam en geest, het goddelijke als immanent aanwezig in de natuur.

Hölderlin had Heinse in de zomer van 1796 ontmoet in het kuuroord Bad Driburg, waar hij samen met Susette Gontard heen was gereisd. De twee mannen vonden elkaar in hun bewondering voor het oude Griekenland en een pantheïstische wereldbeschouwing. Maar waar Heinse in zijn roman het Griekse ideaal als een mogelijkheid binnen de huidige tijd voorstelde, geeft Hölderin in zijn gedichten blijk van een meer historische opvatting. De antieke oudheid is volgens hem onbereikbaar voor ons vanwege de historische breuk met het christendom. De moderne dichter heeft daarom als taak om de herinnering aan de antieke goden levend te houden. Ook in vorm en stijl zijn er verschillen tussen de twee schrijvers. In Ardinghello, de roman over de geniale kunstenaar die zich van maatschappelijke normen bevrijdt, toont Heinse zich een late vertegenwoordiger van de Sturm und Drang, terwijl de streng klassieke opbouw en elegische toon van Brot und Wein meer overeenkomsten vertoont met het Weimar-classicisme van Goethe en Schiller.

Het thema van het gedicht is de afwezigheid van de antieke goden en het verloop van de westerse geschiedenis. De titel verwijst naar de christelijke symboliek van brood en wijn, maar deze symbolen worden door Hölderlin in een breder verband gezien. Brood is namelijk óók de vrucht van de aarde en door het hemelse licht gezegend; wijn is in de eerste plaats een gave van de god Dionysus (VIII.13-14). Terwijl in de christelijke traditie het avondmaal werd ingesteld ter nagedachtenis aan de dood van Christus (Luk. 22.19), zijn brood en wijn in dit gedicht een gave van het hele ‘hemelse koor’ van de antieke goden aan de mensen (VIII.15-16).

Deze zeer vrije interpretatie van de symboliek van brood en wijn heeft te maken met Hölderlins versmelting van christendom en Griekse religie. Hij begrijpt Christus niet als de enige ware god, maar als de laatste van de antieke goden. Christus is, evenals bijvoorbeeld Dionysus, een zoon van de hoogste Vader. Met de komst van Christus wordt het goddelijke feest van de antieke oudheid afgesloten (VI.17-18). Hölderlin gebruikt in vele van zijn gedichten het beeld van dag en nacht: de dag staat voor de antieke oudheid, waarin goden en mensen samen op aarde leefden (IV.17-18); de nacht staat voor de tijd vanaf de komst van het christendom, waarin de Vader zijn blik van de mensen heeft afgewend en de goden ons zijn ontvlucht (VIII.1-4). Christus is de ‘stille genius’ die ‘hemels troostend’ het einde van de dag voorzei en weer verdween (VIII.5-6). Dit is een verwijzing naar de Heilige Geest die als vertrooster door Christus aan zijn discipelen werd beloofd (Joh. 14.16). Brood en wijn zijn de symbolen die door de hemelingen als gaven zijn achtergelaten om hen in de nacht van de geschiedenis te gedenken en naar hun wederkomst uit te zien (VIII.13-16). Hölderlin ziet deze wederkomst als een gebeurtenis die nog in de toekomst ligt, de vervulling van de geschiedenis van het Avondland.

Hölderlin werkt de thematiek van de afwezigheid van de goden en het verloop van de geschiedenis uit door verwijzingen naar mythen rond Dionysus, de Griekse god van de wijn en de vruchtbaarheid. Het gedicht had als eerdere titel dan ook Der Weingott. Volgens de Griekse mythen zwierf Dionysus, op een wagen getrokken door panters, met zijn extatische volgelingen door de wereld om de mensen wijnbouw en cultuur te leren. Ook in de Griekse cultuur gold hij als een van oorsprong vreemde god, die uit het oosten was gekomen. Hölderlin noemt hem daarom ‘de komende god’ (III.18). Dionysus is verder ‘de donderende god’, die de wijn als goddelijke gave aan de mensen schenkt (VIII.14). Het epitheton ‘donderend’ is een vertaling van de Griekse bijnaam Bromios (Βρόμιος) voor Dionysus, een verwijzing naar de luidruchtigheid van de dionysische optochten.

Dionysus is ook de god van de als een roes voorgestelde dichterlijke inspiratie. Daarom zijn de moderne dichters, die hem in huidige tijd nog bezingen, zoals de ‘priesters van Bacchus’ die ’s nachts door het land trokken (VII.15-16). In deze regel spreekt Hölderlin de dichter Heinse direct aan (‘Maar, zeg jij …’) als zijn medestander, iets wat we bijvoorbeeld ook zien in het kort hiervoor geschreven gedicht Stuttgart, dat Hölderlin opdroeg aan de bevriende dichter Siegried Schmid (1774-1859). Evenals elders zijn druiven en bloemen in Brot und Wein symbolen voor respectievelijk dichterlijke inspiratie en gedichten (I.5).

Dionysus is ten slotte de god van de vruchtbaarheid en de eeuwig wordende natuur. Om deze reden zijn de groenblijvende den en de klimop aan hem gewijd (IX.3-4). Hij blijft dus aanwezig in de winter, een ander beeld bij Hölderlin voor het tijdperk waarin de goden verdwenen zijn. Dionysus is daarom ook in de huidige tijd nog aanwezig: ‘daar hij blijft en zelfs het spoor van ontvluchtende goden / Naar godenlozen omlaag hier in de duisternis brengt.’ (IX.5-6). In Brot und Wein speelt Dionysus de rol van een verlossende god, die de dag van de antieke oudheid met de nacht van de moderne tijd verzoent (IX.1-2). Maar zolang de goden niet werkelijk zijn teruggekeerd, leven de mensen op aarde als schimmen in de onderwereld (IX.11-12).

De laatste regels van het gedicht verwijzen naar de mythe over Dionysus die naar de onderwereld afdaalde om zijn moeder Selene uit de dood te bevrijden (IX.14-18). Selene had namelijk, op aanstichten van de jaloerse Hera, Zeus laten beloven dat hij zich in zijn ware gedaante aan haar zou vertonen. Zeus verscheen in de gedaante van de bliksem en doodde zijn minnares, maar kon de ongeboren Dionysus nog redden door hem in zijn eigen dij te naaien. Hölderlin stelt Dionysus voor als de zoon van de hoogste god, de ‘fakkeldrager’ die licht brengt onder de als schimmen levende mensen. Bovendien is hij ‘de Syriër’, een verwijzing naar de vreemde herkomst van Dionysus, wiens cultus volgens de Griekse tragedieschrijvers uit het oosten naar Griekenland zou zijn gekomen (Euripides, Bacchae, 134-150). Dionysus verschijnt zo als de god die door de historische breuken van de geschiedenis heen aanwezig blijft, de ‘komende god’, die de mogelijkheid openhoudt van een nieuwe openbaring van het goddelijke in het moderne Europa.

Het gedicht bestaat uit drie delen van ieder drie strofen, een structuur die Hölderlin aan de Griekse dichter Pindarus (5e eeuw v. Chr.) ontleende. Het metrum is het elegisch distichon, een antieke versvorm van twee regels, waarvan de eerste een hexameter en de tweede een pentameter is. Deze vorm werd oorspronkelijk gebruikt voor de elegie of treurzang, het genre waartoe Brot und Wein behoort. Merk ten slotte de klassieke ringcompositie op. De met fakkels getooide wagens aan het begin van het gedicht verwijzen naar de Dionysische zegewagen en naar de god als fakkeldrager, die aan het einde van het gedicht onder de mensen verschijnt.

Brood en wijn

Aan Heinse

I

Rondom rust de stad en stil wordt de straat die verlicht is,

En, met fakkels getooid, ruisen de wagens reeds weg.

Vol van de vreugd van de dag gaan de mensen naar huis om te rusten,

En een verstandig man rekent nog winst en verlies

Na tevreden in huis; leeg staat van druiven en bloemen,

En van het handelswerk rust de bedrijvige markt.

Maar het snarenspel klinkt ver uit de tuinen; misschien dat

Daar een minnaar nog speelt, of ook een eenzame man

Verre vrienden gedenkt en de eigen jeugd; en de bronnen

Altijd stromend en fris ruisen aan ’t geurige perk.

In het schemerlicht klinkt zacht het luiden van klokken,

En indachtig het uur roept dan een wachter hun tal.

In het woud beweegt de wind de kruin van de bomen,

Zie! En het schaduwbeeld van onze aarde, de maan,

Komt nu heimelijk ook; de zwervelinge, de nacht komt,

Vol van sterren en wel weinig bekommerd om ons,

Glanst zij wonderlijk daar, de vreemde onder de mensen;

Over de bergtoppen komt treurig en prachtig zij op.

 

II

Wonderbaar is de gunst van de hoog verhevene, niemand

Weet waarvandaan en wat hem kan gebeuren door haar.

Zo beweegt zij de wereld, de hopende ziel van de mensen,

Zelfs geen wijze verstaat, wat zij nog voorheeft, want zo

Wil het de hoogste God, die jou zeer liefheeft, en daarom

Is nog liever, dan zij, jou de verstandige dag.

Maar nu en dan verlangt een helder oog naar de schaduw

En beproeft met plezier, eerder dan nodig de slaap,

Of een trouwe man werpt graag een blik in de nacht nog,

Ja, het past om haar kransen te wijden, gezang,

Omdat zij aan wie dwalen gewijd is en aan de doden,

Maar zelf eeuwig bestaat in de meest vrije geest.

Maar zij moet dan ook, dat iets in de talmende uren,

Dat in de duisternis iets ons houvast bieden kan,

Ons de vergetelheid en het heilig-dronkene gunnen,

Gunnen het stromende woord, dat als de minnaars is,

Zonder slaap en voller bokaal en moediger leven,

Heilig gedenken ook, om te waken bij nacht.

 

III

Ook verbergen vergeefs het hart in de boezem, vergeefs ook

Houden wij nog moed, meesters en knapen, want wie

Zou het willen verhinderen, wie ons de vreugde verbieden?

Goddelijk vuur ook drijft aan ons bij dag en bij nacht

Op te breken. Dus kom! Dat wij het opene schouwen,

Dat iets eigens wij zoeken, hoe ver het ook is.

Eén ding is zeker: of het nu middag is of het loopt al

Tegen middernacht, altijd bestaat er een maat,

Allen gemeen, maar elk is ook iets eigens gegeven,

Daarheen gaat en komt ieder, zover als hij kan.

Daarom! En spotten met spot mag graag de juichende waanzin,

Als die in heilige nacht, eensklaps de zanger bevangt.

Daarom kom naar de Isthmus, daar waar open de zee ruist,

Naar de Parnassus waar sneeuw glanst op de Delphische rots.

Daar in het land van Olympus, daar op Cithaerons hoogte,

Onder de dennen waar, onder de druiven veraf

Thebe ligt en de Isménus ruist in de landen van Cadmus,

Daarvandaan komt en terug wijst ook de komende god.

 

IV

Zalig Griekenland! Huis van alle hemelse goden,

Wat wij gehoord hebben eens in onze jeugd is dus waar?

Feestelijke zaal! De zee is de vloer en tafels de bergen,

Voor één enkel gebruik waarlijk van oudsher gebouwd!

Maar de tronen, waar zijn ze, de tempels, en waar is het vaatwerk,

Waar met nectar gevuld zingen dat goden behaagt?

Waar, waar glanzen ze nog, de vér treffende spreuken?

Delphi sluimert en waar klinkt nog de grootheid van ’t lot?

Waar is het snelle, waar barst het vol tegenwoordig geluk

Donderend uit heldere lucht over de toeschouwers los?

Vader Ether! Zo klonk het en vloog van de één naar de ander,

duizendvoudig, want geen droeg toen het leven alleen;

Uitgedeeld verheugt zo’n goed en geruild ook met vreemden

Wordt het een jubel en groeit slapend de macht van het woord.

Vader! Vreugde! weergalmt zo ver als maar kan het oeroude

Teken, van ouders geërfd, treffend en scheppend omlaag.

Want zó keren de goden naar huis, bewogen breekt aan zo

Uit de schaduw omlaag, onder de mensen hun dag.

 

V

Onopvallend komen zij eerst, hen tegemoet gaan

Kinderen, want het geluk komt te verblindend, te fel,

En de mensen vrezen en nauwelijks kan zeggen een halfgod

Wie met name zij zijn, komend met gaven nabij.

Maar zij schenken hem grote moed en vullen zijn hart met

Vreugde; en niet wetend hoe hij het goed moet gebruiken

Schept hij, verkwist hij en bijna wordt het onheilige heilig,

Dat hij met zegenende hand, dwaas en goedmoedig beroert.

Zo mogelijk dulden de hemelsen dit, dan echter waarlijk

Komen zij zelf en gewoon raken de mensen ’t geluk

En de dag en openlijk te zien het gezicht van

Hen, die al sinds lang Een en Alles genoemd,

Diep de zwijgzame borst met vrije genoegens vervullen,

En doen gelukken ook elke wens voor het eerst.

Zo is de mens; is aanwezig het goed en zorgt er met gaven

Zelf een god voor hem, kent hij en ziet hij het niet.

Dragen moet hij eerst; nu echter noemt hij zijn liefste,

Nu, nu moeten daarvoor woorden, als bloemen, ontstaan.

 

VI

En nu denkt hij ernstig te eren de zalige goden,

Werkelijk en oprecht moet alles spreken hun lof.

Niets mag het licht nog zien, wat niet bevalt aan de Hogen,

Voor de Ether past nutteloos streven toch niet.

Om te zijn de aanwezigheid van de hemelsen waardig,

Richten in heerlijke slagorden de volken zich op

Onder elkaar en bouwen de schone tempels en steden,

Sterk en edel gebouwd rijzen zij boven de kust —

Maar waar zijn ze? Waar bloeien de kronen van ’t feest, de beroemde?

Thebe, Athene verwelkt; ruisen de wapens niet meer

In Olympia, niet de gouden wagens in wedstrijd,

Hangen geen kransen meer aan het Korinthische schip?

Waarom zwijgen ook zij, de heilige, oude theaters?

Waarom verheugt zich niet langer het dansende koor?

Waarom tekent een god, als eens, van een man niet het voorhoofd?

Legt het stempel, als eens, niet de getroffene op?

Of hij kwam ook zelf en nam een mensengedaante

aan en eindigde en sloot troostend het hemelse feest.

 

VII

Maar, mijn vriend! Wij komen te laat. Wel leven de goden,

Maar in een andere wereld daar boven ons hoofd.

Eindeloos werken zij daar en schijnen er niet op te letten

Of wij leven, zozéér sparen de hemelsen ons.

Want een aarden vat vermag niet altijd hen te vatten,

Slechts bij tijden verdraagt goddelijke volheid de mens.

Dromen van hen is daarop het leven. Maar het verdwalen

Helpt, zoals sluimer en sterk maken de nood en de nacht,

Totdat helden genoeg in de ijzeren wieg zijn gegroeid met

Harten vol kracht, als eens, zoals de hemelsen zijn.

Donderend komen zij dan. Intussen lijkt het mij dikwijls

Beter te slapen dan zó zonder gezellen te zijn,

Zo te wachten en wat te doen onderwijl en te zeggen,

Weet ik niet en waartoe dichters in karige tijd?

Maar zij zijn, zeg jij, als de heilige priesters van Bacchus,

Die van land tot land trokken in heilige nacht.

 

VIII

Want toen enige tijd geleden, ons lijkt het lang al,

Opwaarts stegen al die schenken ons leven geluk,

Toen de Vader afgewend had zijn blik van de mensen,

En het treuren met recht over de aarde begon,

Toen verscheen ten slotte een stille genius, hemels

Troostend, die van de dag het einde voorzei en verdween.

Maar als teken dat het hier was en ook weer zou keren,

Liet het hemelse koor enkele gaven ons na,

Waar wij ons menselijk, als eens, in zouden verheugen,

Want voor vreugde met geest, werd ook het grotere te groot

Onder de mensen en nog ontbreken de sterken tot hoogste

Vreugde, maar er leeft stil nog wel enige dank.

Brood is de vrucht van de aarde, maar door het licht ook gezegend,

En de donderende god schenkt ons de vreugde van wijn.

Daarom gedenken wij daarbij ook de hemelsen, die eens

Hier zijn geweest en die keren in gunstige tijd,

Daarom bezingen ernstig ook de zangers de wijngod

En niet ijdel gedacht klinkt voor de Oude het lof.

 

IX

Ja! Ze zeggen terecht: hij verzoent de dag met de nacht en

Leidt de hemelse ster eeuwig omlaag en omhoog,

Altijd verheugd, als het loof van de steeds groen blijvende dennen,

Waar hij van houdt, en de krans, die van klimop hij verkoos,

Daar hij blijft en zelfs het spoor van ontvluchtende goden

Naar godenlozen omlaag hier in de duisternis brengt.

Wat de zang der antieken van kinderen Gods eens voorspelde,

Zie! Wij zijn het, de vrucht zelf van het Avondland wij!

Wonderbaar en nauwkeurig is aan mensen vervuld dit,

Wie het beproefd heeft, geloof! Maar zo veel ook gebeurt,

Niets wat werkt, want moedeloos, schaduwen zijn wij tot onze

Vader Ether erkent elk en aan allen behoort,

Maar intussen komt als fakkeldrager des Hoogsten

Zoon, de Syriër, onder de schaduwen neer.

Zalige wijzen zien het; een glimlach uit de gevangen

Ziel glanst op, het licht doet nog ontdooien haar oog.

Zachter droomt en slaapt de Titaan in de schoot van de Aarde,

Zelfs de grimmige, zelfs Cerberus drinkt en slaapt.


Saïs > Hölderlin > Brood en Wijn