In zijn onvoltooid gebleven roman De leerlingen te Saïs (1802) geeft Novalis ons een beeld van een leergemeenschap. Vanuit het gezichtspunt van de leerling wordt verteld over een filosofisch onderzoek naar het wezen van de natuur. Nabij de ruïnes van de antieke stad Saïs, in de westelijke Nijldelta, heeft een leraar een groep leerlingen om zich heen verzameld. De leerlingen verzamelen stenen en bloemen en leggen deze in de zalen van de school in rijen en figuren. Zij proberen het geheimschrift van de natuur te ontcijferen en de sleutel tot haar taal te vinden door het bestuderen van de orde, die overal wordt waargenomen:
“Uiteenlopende wegen gaan de mensen. Wie deze volgt en vergelijkt, zal wonderlijke figuren zien ontstaan; figuren, die tot dat grote geheimschrift lijken te behoren, dat men overal aanschouwt: op vleugels, eierschalen, in wolken, in de sneeuw, in kristallen en steenformaties, op bevriezende wateren, in het binnenste en aan de buitenkant van de stenen, de planten, de dieren, de mensen, in de hemellichten, op schijven van hars en glas die statisch worden door aanraking en wrijving, in het vijlsel om de magneet, en in de zonderlinge conjuncturen van het toeval. Daarin vermoedt men de sleutel tot deze wonderbare schrift, de spraakleer ervan; maar het vermoeden wil zich niet in vaste vormen voegen en schijnt geen hogere sleutel te willen worden. Een alkahest lijkt over de zinnen van de mensen uitgegoten te zijn. Slechts voor een ogenblik lijken hun wensen, hun gedachten zich te verdichten. Zo ontstaan de vermoedens, maar na korte tijd drijft alles weer, als voorheen, voor hun blikken.” [1]
[1] Novalis, Gedichte (Insel Verlag, 1987), p. 97: Mannigfache Wege gehen die Menschen. Wer sie verfolgt und vergleicht, wird wunderliche Figuren entstehen sehn; Figuren, die zu jener großen Chiffernschrift zu gehören scheinen, die man überall, auf Flügeln, Eierschalen, in Wolken, im Schnee, in Kristallen und in Steinbildungen, auf gefrierenden Wassern, im Innern und Äußern der Gebirge, der Pflanzen, der Tiere, der Menschen, in den Lichtern des Himmels, auf berührten und gestrichenen Scheiben von Pech und Glas, in den Feilspänen um den Magnet her, und sonderbaren Konjunkturen des Zufalls, erblickt. In ihnen ahndet man den Schlüssel dieser Wunderschrift, die Sprachlehre derselben, allein die Ahndung will sich selbst in keine feste Formen fügen, und scheint kein höherer Schlüssel werden zu wollen. Ein Alkahest scheint über die Sinne der Menschen ausgegossen zu sein. Nur augenblicklich scheinen ihre Wünsche, ihre Gedanken sich zu verdichten. So entstehen ihre Ahndungen, aber nach kurzen Zeiten schwimmt alles wieder, wie vorher, vor ihren Blicken.
Saïs > De leerlingen te Saïs