Een gevelsteen in een oude straat:
de hermesstaf met de beide slangen,
hoorn des overvloeds en fakkel hangen
omgekeerd bij een zon die ondergaat.
Ons schip is op de verste kust geland;
wij voeren nog voorbij de zonnepoort.
Wèl hadden wij van deze stad gehoord:
‘Vreeswekkend is de nacht die haar omspant.’
Rampzalig zijn de mensen die hier wonen:
door mist en nevel zijn zij steeds omgeven,
de Zon wil zich niet glanzend aan hen tonen.
Maar Hermes doet de zielen er geleide
– zij komen als de blad’ren aangedreven –
en brengt hen naar de slaaplelieweide.