Een week bleef ik met vader thuis alleen:
mijn zus en moeder waren naar Tallinn.
Hoe oud was ik? Zeven jaar misschien.
We gingen elke dag wel ergens heen.
Ik zie hem zitten op de Zeeuwse dijk:
hij beitelt stenen uit het zwart basalt,
terwijl het licht op de fossielen valt,
en toont mij een verborgen koninkrijk.
Maar op een dag was hij er niet meer.
Die ochtend lag er ijzel op de wegen.
Ik heb een erfenis van hem gekregen:
dat ik gevoelig ben en talen leer;
de stenen liggen nog op mijn bureau;
gebeiteld in mijn hart: ik mis je zo.