De vrienden

 

ὃν οἱ θεοὶ φιλοῦσιν, ἀποθνῄσκει νέος

– Menander

 

Het waren van jeugd af twee vrienden,

ontbrand in liefde voor schoonheid.

Zij waren elkander gemeenzaam

en deelden hun brood en hun beker,

hun woning een tempel van muzen.

 

Een van hen bad tot de goden:

“Mijn vriend, die edel en goed is,

voor hém vraag ik, niet voor mijzelf dit:

wees hem genadig en schenk hem

het beste wat hij kan verkrijgen.”

 

Hij vond hem de volgende morgen,

gestorven met vredige aanblik.

Maar op zijn schrijftafel lag het

gedicht dat hij nog voltooid had,

en dat hem onsterfelijk maakte.

 

De ander bleef achter verdrietig.

Ook hem gedachten de goden.

Een leven vol moeite en arbeid

bracht het lied dat hij wenste.

Het één na beste verkreeg hij.