Jaargetijden

 

Lente

 

I

In Waldeck ben ik door Zijn wil beland:

het koolzaad bloeit er langs de waterkant.

Ik wandel naar de leeszaal elke morgen;

alleen het woord maakt levend in dit land.

 

II

Hyacint is weer tot bloei gekomen:

donker staat hij onder hoge bomen.

Door de takken blaast de westenwind,

die hem aan Apollo heeft ontnomen.

 

III

De meidoorn in de duinen is ontloken:

een bruid met bloemen in het haar gestoken.

Het witte kleed staat haar in eenvoud mooi.

Een koning die haar vindt langs pad beloken.

 

IV

De merel heeft zijn hooglied aangeheven

en deed verlangen in mijn ziel herleven.

De bloemen worden weer gezien in ’t land,

de winter en de regen zijn verdreven.

 

V

Een vissersboot vaart langs de kust,

het sleepnet aan de steven aangelust.

Vanuit de duinen volg ik met de kijker:

aanschouwend vindt de ziel antieke rust.

 

VI

Langs de wilgen kom ik vaak gelopen,

die groeien aan het water hoog en open.

Ik zag ze toen ik uit de leeszaal kwam:

een teken voor de geest om op te hopen.

 

VII

Ik heb mijn woning aan de kust gekozen,

en door het raam zie ik Aurora blozen.

Het brood genomen wandel ik naar zee,

waar achter duinen bloeien witte rozen.

 

Zomer

 

VIII

Van zomerdagen één die ik noem:

een avondwandeling en het gezoem

van late bijen; langs het steile zandpad

bloeien zwarte braam en koekoeksbloem.

 

IX

Ik loop het pad met klaver en hervind

het landschap dat ik liefhad als een kind:

de buizerd roept er boven open weide,

de ruwe berken ruisen in de wind.

 

X

Soms is er iets dat bijna spreken gaat,

wanneer ik wandel langs de brede straat:

het avondlicht dat valt op oude huizen,

de okkernoot die op het braakland staat.

 

XI

De avond is gevallen op het plein:

een ronde dansplaats waar de muzen zijn.

De lier van Orpheus staat aan de hemel

en voert de sterren aan in lichte rei’n.

 

XII

De ratelpopulier heb ik gehoord,

die groeide aan het water ongestoord.

De wind brengt beweging in de blad’ren

en wie oren heeft verstaat het woord.

 

XIII

De schaal in de vensterbank gezet.

Vermoeid ging ik ’s avonds laat naar bed.

Ik kwam weer binnen met de dageraad:

het zonlicht beefde in het blauw facet.

 

XIV

Ik heb van de zomerdag mijn deel:

een jonge kraai in zilveren abeel.

De moer komt over duinen aangevlogen

en legt het voer in wijd gesperde keel.

 

Herfst

 

XV

De zonnebloem die in oktober bloeit,

zich naar het licht toe neigt en onvermoeid

de winter afwacht: laat haar zijn tot teken

dat ook in u het zaad nog langzaam groeit.

 

XVI

Verzameld door een jonge kinderhand:

een schat van dennenappels in het zand,

daartussen is een esdoornblad gestoken:

de bomen in de duinpan bij het strand.

 

XVII

De stokroos die zich aan de stenen muur

staande houdt en wacht op winters duur.

Laat haar zijn tot teken voor uw groei:

geen wind of regen buigen haar dat uur.

 

XVIII

Het erfdeel waarvan ik als kind al wist

en dat de wereld mij sindsdien betwist:

te zitten met een kijker in de duinen;

het zoeken naar de schepen in de mist.

 

XIX

Ik wandelde door de Vlierboomstraat.

Het huis gezien dat in de steigers staat,

mijn theeservies gekocht en lesgegeven:

een leven dat hier langzaam rijpen gaat.

 

XX

De duinen in november: grijze luchten

en witte zeilen gaan door nevelzuchten.

Dalend langs het zandpad vind ik nog

kardinaalsmuts met haar rode vruchten.

 

XXI

Op straat hoor ik plotseling gerucht:

het gakken van de ganzen in de lucht.

Een falanx door de hoge wolkenvelden;

naar het zuiden gaat de ganzenvlucht.

 

Winter

 

XXII

Koning Vorst is in het land gekomen

en heeft op koude velden plaatsgenomen.

Ik zie zijn dienaren in zwart gewaad

naar voedsel zoeken onder kale bomen.

 

XXIII

Ik heb vannacht op het balkon gestaan

en zag de Beer rond de Poolster gaan.

Vanuit het noorden loert zij op de Jager

en baadt zich nimmer in de Oceaan.

 

XXIV

De Melanen waar als kind ik schaatste:

een bleke zon die op het ijs weerkaatste.

Na afloop aan de kant met warme melk.

Die koude winters, waren dat de laatste?

 

XXV

Onverwachts lesvrij en naar het strand

gewandeld, sta ik blootsvoets in het zand:

‘Al Uw golven zijn op mij geslagen.’ –

Ik heb niets dan Uw opdracht in dit land.

 

XXVI

Zoals voorspeld: een sterke wind aan zee

en in de branding deelt Uw woord zich mee.

Ik loop naar Scheveningen in de verte,

maar voel mij een profeet te Ninevé.

 

XXVII

Rijswijk in december en de trans

van de Oude Kerk in winterglans.

Hendrik Tollens rust op het kerkhof:

op de afgebroken zuil een krans.

 

XXVIII

De wegen die van oudsher zijn gegaan,

degenen die het woord hebben verstaan.

Aan het einde staan zij nu gelauwerd

met eeuwig groene krans: loop zó uw baan.

 


Aantekeningen

 

Lente

 

I In Waldeck: de wijk Waldeck in het stadsdeel Loosduinen, vernoemd naar Hubertus Cato Waldeck (1811 – 1881), burgemeester van Loosduinen van 1850 tot 1872.

het koolzaad bloeit er langs de waterkant: koolzaad (Brassica napus) bloeit vanaf april met gele bloemen.

naar de leeszaal: Bibliotheek Nieuw Waldeck aan de Rossinilaan.

II Hyacint is weer tot bloei gekomen: in de Griekse mythologie was Hyacinthus een knappe jongeman, die door Apollo werd bemind. Tijdens het discuswerpen werd hij per ongeluk door de god gedood, doordat de westenwind Zephyrus uit jaloezie de schijf opzij blies. (Lucianus, Dialogi Deorum, 14). Uit zijn bloed ontsproot de gelijknamige purperkleurige bloem (Ovidius, Metamorphoses, 10.209-213).

IV De bloemen worden weer gezien: naar Hooglied 2.11-12 (‘Want zie, de winter is voorbij, de regen is over, overgegaan is hij. De bloemen worden gezien in het land, de zangtijd nadert; en de stem van de tortelduif wordt gehoord in ons land’).

V aanschouwend vindt de ziel antieke rust: Aristoteles schrijft in de Ethica Nicomachea (10.7) dat het hoogste geluk voor de mens bestaat in een beschouwend leven (βίος θεωρητικός).

VI Langs de wilgen kom ik vaak gelopen: de schietwilg (Salix alba) bloeit in april en mei en kan tot twintig meter hoog worden.

VII zie ik Aurora blozen: de Latijnse naam voor de godin van de dageraad (Gr. Ἠώς).

witte rozen: de duinroos (Rosa spinosissima) bloeit in mei en juni met witte bloemen.

 

Zomer

 

VIII langs het steile zandpad: een pad in het Westduinpark dat omhoog voert naar een uitkijkpunt.

IX het landschap dat ik liefhad als een kind: de West Brabantse Waterlinie tussen Fort Pinssen en Fort de Roovere bij Bergen op Zoom.

X langs de brede straat: de Thorbeckelaan in Den Haag, genoemd naar de Nederlandse staatsman Johan Rudolph Thorbecke (1798 – 1872).

op oude huizen: de woningen aan de Thorbeckelaan werden in de jaren ’30 gebouwd.

XI het plein: het Notenplein in Den Haag.

een ronde dansplaats: in het Attische theater lag de halfronde dansplaats (Gr. ὀρχήστρα) voor het koor tussen het verhoogde toneel en de zitplaatsen van de toeschouwers.

De lier van Orpheus: het sterrenbeeld Lier (Λύρα) was in de Griekse mythologie het instrument van de zanger Orpheus, door de god Apollo aan hem geschonken en na zijn dood aan de hemel geplaatst.

en voert de sterren aan: de Romeinse dichter Marcus Manilius schrijft in zijn Astronomica dat de lier van Orpheus, waarmee de dichter tijdens zijn leven stenen en bomen kon meevoeren, na zijn dood de macht verkreeg om de sterren te bewegen (Manilius, Astronomica, 1.324-330).

XII De ratelpopulier heb ik gehoord: de ratelpopulier of esp (Populus tremula) bloeit in maart en april. De wind brengt de bladeren van deze boom gemakkelijk in beweging. We vinden dit terug in de zegswijze ’trillen als een espenblad’.

en wie oren heeft verstaat het woord: over het horen en verstaan van het woord handelt de gelijkenis van de zaaier (Mat. 13.1-23).

XIII De schaal in de vensterbank: een Franse schaal van blauw persglas.

XIV in zilveren abeel: de witte abeel (Populus alba) komt veelvuldig voor in het Westduinpark.

 

Herfst

 

XV De zonnebloem die in oktober bloeit: de zonnebloem (Helianthus annuus) bloeit van juli tot oktober en kan meer dan drie meter hoog worden.

laat haar zijn tot teken: een teken (Heb. אוֹת ; Gr. σημεῖον) duidde in de Joodse cultuur op een bewijs van Gods aanwezigheid en werkzaamheid, met name in de context van messiaanse verwachtingen. Vergelijk de woorden van Paulus in 1 Korinthiërs 1.22: ‘Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken wijsheid.’

XVI de bomen in de duinpan: de gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) en de zwarte den (Pinus nigra).

XIX door de Vlierboomstraat: in de Vruchtenbuurt in Den Haag, waar ik mijn lessen geef.

mijn theeservies gekocht: een porseleinen theeservies van Mosa, dat ik toevallig vond.

XX kardinaalsmuts met haar rode vruchten: de wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) bloeit in mei en juni en vormt daarna de bekende rode vruchten met de vorm van een priesterbonnet.

XXI Een falanx door de hoge wolkenvelden: de falanx (φάλαγξ) was een militaire formatie die door de Grieken werd ontwikkeld. Zij bestond uit een blok met speer en schild bewapende voetsoldaten van meerdere rijen diep.

Naar het zuiden gaat de ganzenvlucht: wilde ganzen zijn gewoonlijk trekvogels die in het voorjaar naar noordelijker streken zoals Groenland en Noord-Rusland trekken. In het najaar komen zij weer naar Nederland om te overwinteren of trekken door naar zuidelijker landen zoals Spanje.

 

Winter

 

XXII zijn dienaren in zwart gewaad: de kauw (Corvus monedula) heeft een zwartgrijs verenkleed en foerageert vaak in groepen op het grasveld.

XXIII en zag de Beer rond de Poolster gaan: de Griekse dichter Aratus (c. 315 – c. 245 v. C.) schrijft in zijn leerdicht Phaenomena dat de Grieken de Grote Beer en de Kleine Beer ook de Wagens (μαξαι) noemden, omdat zij rond de Poolster lijken te draaien (Aratus, Phaenomena, 19).

Vanuit het noorden loert zij op de Jager: in de Griekse mythologie was Orion een reusachtige jager, die bemind werd door Eos, de godin van de dageraad. Maar de goden waren jaloers en de godin Artemis doodde Orion met haar pijlen op het eiland Ortygia (Homerus, Ilias, 5.121-124).

en baadt zich nimmer in de oceaan: de Grote Beer is circumpolair en verdwijnt nooit onder de horizon. Homerus schrijft in de Ilias: ‘en de Grote Beer, die ook de Wagen genoemd wordt, / die om zichzelf heen draait en Orion in het oog houdt, / die van de Wereldzee niet kent het wassende water.’ (5.273-275).

XXIV De Melanen waar als kind ik schaatste: de Kleine Melanen in Bergen op Zoom.

XXV Al uw golven zijn op mij geslagen: naar het gebed van Jona in de buik van de vis: ‘Al Uw brekers en Uw golven gingen over mij heen. (Jon. 2.3).

XXVI en in de branding deelt Uw woord zich mee: in het boek Jona wordt verhaald hoe het woord van God voor de tweede maal tot de profeet komt, nadat hij door de grote vis op het droge land is uitgespuwd: ‘Sta op, ga naar Ninevé, de grote stad, en verkondig aan haar de verkondiging die Ik tot u spreek.’ (Jon. 3.1).

Ik loop naar Scheveningen in de verte: over het strand bij Kijkduin.

maar voel mij een profeet te Ninevé: de oudste en volkrijkste stad van het Assyrische Rijk, gelegen aan de oostelijke oever van de Tigris.

XXVII Hendrik Tollens rust op het kerkhof: de dichter Hendrik Tollens (1780 – 1856) bewoonde vanaf 1846 het herenhuis Ottoburch in Rijswijk, waar hij ook overleed.

XXVIII loop zó uw baan: naar de vergelijking van Paulus in 1 Korinthiërs 10.24: ‘Weten jullie niet, dat wie in de wedloop lopen, allen wel lopen, maar dat slechts één de prijs ontvangt? Loop zó dat jullie die verkrijgen.’