Oosters

In memoriam J. H. Leopold

I

Wij weten niets van hem dan zijn naam

en dat hij verzen schreef: Omar Khayyam.

Maar de lentewind brengt uit het oosten

een geur van rozen door het open raam.

II

Het eeuwige geheim weet jij noch ik,

dit verborgen woord lees jij noch ik.

Versluierd is ons spreken en ons weten:

wanneer de sluier valt blijf jij noch ik.

III

Gezworven heb ik op een zee van weten —

haar verre kusten bleven ongemeten.

Ik had geen wens meer op het einde dan

een haven vinden en de reis vergeten.

IV

De poppenspeler kwam eraan

en heeft ons touwtjes omgedaan.

Wij speelden even op een kleed,

zijn toen de kist weer ingegaan.

V

Bahram de koning hield van zeven vrouwen

en liet voor elk van hen een koepel bouwen.

Hij hoorde elke dag een nieuw verhaal,

terwijl zijn koninkrijk het moest berouwen.

VI

Jamshid had de beker opgeheven

waarin het lot van ieder stond geschreven.

Zijn dienaar vroeg hem bevend wat hij zag:

Vanavond komt de engel om uw leven.’

VII

Een boek vol verzen en een handvol brood,

zoveel als weert de dreiging van de dood,

en U met mij in eenzaamheids oase

is meer dan ‘t leven ooit een koning bood.

VIII

Een wolk kwam over de rivier gedreven

en heeft op het velijnen blad geschreven.

Wij lazen op de oever in dat boek

dat wind en water naar Zijn liefde streven.

IX

Rouw niet om een wereld die voorbijgaat,

maak eens wat plezier, dat weer voorbijgaat.

Als het leven trouw bleef aan de and’ren

was nooit de beurt aan jou, die weer voorbijgaat.

X

Een pauwenveer lag op het koranblad:

wie in haar ogen keek de tekst vergat.

Een vrome nam haar weg, zij sprak: ‘Laat af!

Want ook in schoonheid is Zijn wil gevat.’

XI

Waarom uw tijd verspillen met kwatrijnen

die het leven slechts te kort doen schijnen?

Drink liever wijn en geef de beker rond,

want morgen ligt u zelf tussen vier lijnen.

XII

Een bedelaar kwam bij de stadspoort aan

en hing zijn staf en bedelnap daaraan.

Hij sprak er tot een ieder die voorbijkwam:

‘De sultan gaat met minder hiervandaan.’

XIII

Hem te kennen moest mijn ziel begeren:

opwaarts steeg zij door de zeven sferen.

Toen zij bij de tuin van Zijn verblijf kwam

deed de lotusboom haar wederkeren.

XIV

Een waterdruppel uit de oceaan,

een stofje dat beweegt in aardse baan.

Wat beduidt jouw komen in de wereld?

Een vliegje dat bij avond weer zal gaan.

XV

Bij de pottenbakker langsgegaan

Zag ik duizend kruiken momp’lend staan

Uit elk handvat klonk het als een zuchten:

‘Stof van klanten gaf ons het bestaan.’

XVI

De Pottenbakker vormde vele vaten,

voor elk gebruik in soorten en in maten.

Maar van mij maakte Hij een wijnvat,

zodat ik nu het drinken niet kan laten.

XVII

De muezzin vanuit de minaret

roept de vromen op tot het gebed.

Mijn hoofd valt dan zwaar op de tafel,

vijfmaal daags naar Mekka nauwgezet.

XVIII

Haar lippen zijn gebogen als een kom,

en schenken woord en glimlach om en om.

Ik zei: ‘Laat ons zwijgen nu en drinken.’

Haar mond prevelde alleen nog: ‘Kom!’

XIX

Wie liefde tot zijn leidsman heeft verkozen,

bij hoogste schoonheid wil hij steeds verpozen.

Verlangen is zijn deel, een leven lang,

zoals de nachtegaal verlangt naar rozen.

XX

Verre reizen zijn vaak tot een vreugd

die ons in de ouderdom nog heugt:

een plein, de halve wereld, minaretten —

Isfahan: de parel van mijn jeugd.