Septentriones

 

Vannacht ben ik de keuken ingegaan.

Ik zag de kast met glazen en met borden,

die na het dagwerk stil waren geworden,

verzilverd in het glanzen van de maan.

Toen stond ik even voor het koude raam

en zag de sterren in het noorden beven:

gebonden hemelossen, alle zeven,

die ploegend rond de hoge poolster gaan.

Een landman stond zo in antieke nacht

en zag zijn werk verheerlijkt bovenmate

voortgaan in de sterren en bedacht:

‘De jonge wijn rust in de houten vaten,

het wintergraan ligt in de aarde zacht,

het werk zij aan de goden nu gelaten.’


verzilverd in het glanzen van de maan: cf. Sappho, Fr. 34: ‘De sterren rond de schone maan / verbergen weer hun stralende gezicht / wanneer zij vol van glans / zilver op aarde [schijnt].’

gebonden hemelossen, alle zeven: de zeven sterren van de Grote Beer. Deze naam komt uit de Griekse mythologie en verwijst naar de mythe van de prinses Callisto, die door de jaloerse Hera in een beer werd veranderd en vervolgens door Zeus aan de hemel werd geplaatst. De meer op de landbouw ingestelde Romeinen noemden deze sterren de ‘zeven ploegossen’ (septem triones).

ploegend rond de hoge poolster: de sterren van de Grote Beer zijn cirumpolair en gaan dus nooit onder. Omdat ze altijd op dezelfde plaats aan de hemel staan, werden zij voor de Romeinen synoniem met het noorden (septentriones).

De jonge wijn rust in de houten vaten: de druivenoogst in september plaats. De jonge wijn werd opgeslagen in grote aardewerken of houten wijnvaten (dolia), die tot de hals werden ingegraven in de vloer van de wijnkelder (cella vinaria).

Het wintergraan ligt in de aarde zacht: de Romeinen kenden een herfstzaai (hiberna sementis) en een voorjaarszaai (verna sementis). Het graan dat in de herfst of soms nog begin december werd gezaaid, zou in juni worden geoogst.