Homerus, Odyssee 24.1-14

 

De Cyllenische Hermes riep de zielen naar buiten

van de mannen, de vrijers, met de staf in zijn handen,

schoon en van goud, waarmee hij zwaar maakt de ogen

van wie hij wil en ook de slapenden weer doet ontwaken;

daarmee voerde hij hen mee en zij volgden piepend.

Zoals vleermuizen die in een diepe grot zijn verborgen

piepend opvliegen nadat één van hen is gevallen

uit de rij aan de rotswand – elk klemt zich vast aan de ander –

kwamen de zielen piepend tezamen en hen geleidde

de goedgunstige Hermes langs beschimmelde paden.

Nog voorbij de Wereldstroom en de witte rots Leukas,

en de poorten van Helios en het land van de Dromen

gingen zij; spoedig kwamen zij bij de slaaplelieweide

waar de zielen wonen, de schimmen van de gestorv’nen.