Waarheen trek je mij,
Volheid van mijn hart,
God van de roes,
Welke wouden, welke kloven
Ga ik door met vreemd gemoed?
O, welke grotten
Horen in de krans van sterren
Caesars eeuwige roem mij vlechten
En hem bij de goden voegen?
Ongehoorde, geweldige,
Aan geen sterfelijke lippen ontvallen
Dingen wil ik zeggen
Zoals de gloedvolle nachtzwerfster,
De bacchische maagd
Aan de Hebrus versteld staat
En in Thracische sneeuw
En in Rhodope, in barbaars land,
Zo lijkt mij wonderlijk en vreemd
Het water van de rivieren,
Het eenzame woud . . . . . . .
god van de roes: Dionysus, de god van de wijn. Zijn verering was van voor-Griekse oorsprong en verspreidde zich van Thracië naar Griekenland.
hem bij de goden voegen: de Romeinse geschiedschrijver Suetonius vertelt dat Caesar na zijn dood onder de goden werd gerekend (in deorum numerum relatus est). Tijdens de lijkspelen, die Augustus in 44 v. C. ter ere van hem liet houden, verscheen er zeven dagen lang een komeet aan de hemel. Het volk geloofde dat dit de ziel van Caesar was, die in de hemel was opgenomen (Suet. Jul. 88).
de gloedvolle nachtzwerfster: de maenaden of vrouwelijke volgelingen van Dionysus. Tijdens de nachtelijke riten voor de god zwierven zij rond in de bergen en bossen van Griekenland.
de bacchische maagd: de bacchanten of volgelingen van Bacchus, de Romeinse tegenhanger van Dionysus.
aan de Hebrus: een rivier in Thracië, tegenwoordig de Maritsa genoemd. De Hebrus ontspringt in het Rilagebergte ten noordwesten van de Rodopen en mondt uit in de Egeïsche Zee.
in Thracische sneeuw: Thracië had volgens de antieke schrijvers een zeer koud klimaat. Xenophon schrijft over besneeuwde vlakten en een zo grote koude, dat de wijn in de kruiken bevroor (Xen. Anab. 7.4.3). Horatius noemt in zijn Brieven de bevroren Hebrus (Horat. Epist. 1.3.3).
in Rhodope: het Rodopegebergte in Thracië.