Arthur Schopenhauer

Arthur Schopenhauer werd in 1788 geboren in Danzig in het koninkrijk Pruisen, tegenwoordig een stad in Polen. Hij groeit op in een koopmansfamilie met Hollandse wortels. Zijn vader, schrijft hij in een brief, sprak nog goed Nederlands, maar hijzelf niet meer. Op vijftienjarige leeftijd nemen zijn ouders hem mee op een reis door Europa. Tijdens deze reis raakt hij onder de indruk van het lijden dat hij overal om zich heen ziet en van het kwaad waartoe de mens in staat is. Kenmerkend voor de filosofie van Schopenhauer is dan ook een pessimistische kijk op de wereld en op de mens.

Schopenhauer ziet de wil als een blinde kracht die overal in de natuur werkzaam is. Alle levende wezens hebben een drang om te overleven en voor hun eigen bestaan te vechten. De wil is daarom ook de oorzaak van al het lijden in de wereld. De mens is zich als enige wezen bewust van de wil en ervaart haar bijvoorbeeld in de drang om zich te voeden en zich voort te planten. De mens kan zich niet bevrijden van de wil en zal daarom gedurende zijn hele leven blijven lijden, zonder dat dit enig doel dient. Daarom zegt Schopenhauer in zijn hoofdwerk De wereld als wil en voorstelling (1819) dat het eigenlijk het beste is om helemaal niet te worden geboren.

Maar nu we toch in deze wereld vol verdriet zijn beland, hoe kunnen we dan tenminste het leven zo dragelijk mogelijk maken? In zijn filosofie gaat Schopenhauer op zoek naar mogelijkheden om de wil te verzwakken en zo het lijden te verminderen. Eén van de drie manieren die hij onderscheidt is het esthetisch bewustzijn oftewel de omgang met kunst. Wanneer we bijvoorbeeld een schilderij van een landschap bewonderen, zien we volgens Schopenhauer een geïdealiseerd beeld van de werkelijkheid. We verliezen onszelf in de aanschouwing van het kunstwerk en vergeten onszelf. Daardoor worden we bevrijd van het lijden dat we in het dagelijks leven ervaren. Schopenhauer kende onder de kunsten een speciale plaats toe aan de muziek. Bij het luisteren naar muziek zien we niet zozeer een geïdealiseerd object voor ons, maar ervaren we onze eigen gevoelens in gezuiverde vorm. In een symfonie kunnen we bijvoorbeeld vreugde of verdriet ervaren, maar geabstraheerd van de dagelijkse gebeurtenissen die deze gevoelens bij ons veroorzaken. De esthetische perceptie bevrijdt ons dus van onszelf en geeft ons korte tijd respijt van het lijden.

Het moreel bewustzijn helpt ons niet alleen onszelf te overstijgen, maar stelt ons ook in staat om medelijden te hebben met anderen. Schopenhauer was een bewonderaar van het boeddhisme, omdat deze religie uitgaat van de realiteit van het lijden en compassie met andere levende wezens leerde. In overeenstemming met de ethiek van Immanuel Kant zag Schopenhauer dezelfde morele boodschap terug in verschillende religieuze tradities, waaronder het christendom: de ander behandelen zoals we zelf behandeld willen worden, geen toevlucht nemen tot geweld of wraakneming en afscheid nemen van zelfzuchtigheid. De ontwikkeling van een moreel bewustzijn doet ons inzien dat elk levend wezen uiteindelijk een manifestatie is van de universele wil. Het inzicht in de alomtegenwoordigheid van het lijden helpt ons om onze eigen beperkte wil te overstijgen en medelijden te hebben met alle levende wezens.

Het morele inzicht dat alle wezens uiteindelijk een manifestatie zijn van één, doelloos strevende wil, moet volgens Schopenhauer wel leiden tot een afkeer van het bestaan en de wens om de wil geheel en al uit te doven. Het ascetisch bewustzijn probeert afscheid te nemen van de eigen wil om te overleven. Dit leidt tot een houding van zelfverloochening en berusting, die Schopenhauer terugziet in het boeddhisme en in het leven van bijvoorbeeld Jezus Christus en Franciscus van Assisi. De asceet heeft begrepen dat het lijden tot een minimum kan worden beperkt door de eigen verlangens zo veel mogelijk op te geven. Deze bewuste verzaking van de eigen wil leidt tot kalmte en gemoedsrust. Het opgeven van de eigen verlangens en het volledige bewustzijn van de realiteit van het lijden zijn kenmerkend voor een verlicht leven, dat volgens Schopenhauer in deze wereld het hoogst haalbare is.